Hervormde begraafplaats Rotterdam organiseert Herinneringszondag voor nabestaanden

Dat de Protestantse Kerk meer aandacht schenkt aan Eeuwigheidszondag juicht Vink toe. “Het is goed om het thema dood nog meer bespreekbaar te maken. Je ziet dat Nederland vergrijst, mensen worden ouder. Als er iemand op hoge leeftijd komt te overlijden, dan blijft de ander achter op 3 hoog in Rotterdam. Met een kind in bijvoorbeeld Maastricht en de ander in Groningen is de afstand groot.  Vanuit de kerkelijke gedachte stip je Eeuwigheidzondag aan, je komt samen en luistert naar de ander. Na Eeuwigheidszondag is het eerste advent, het kijken naar licht, naar de toekomst. Dat hoop geven aan mensen past bij ons als christenen.”

Geen zieltjes winnen

Vijf jaar geleden werd op de begraafplaats Pijl naar beneden van de Hervormde Gemeente Rotterdam IJsselmonde de eerste Herinneringszondag georganiseerd. “Alle nabestaanden waarvan de overledene bij ons is (her)begraven, uitgestrooid of bijgezet krijgen van ons een brief. Daarin nodigen wij hen uit om de begraafplaats te bezoeken. We leggen uit dat in het geloof op die datum stil wordt gestaan bij Eeuwigheidszondag en dat in kerken de namen van de gemeenteleden die overleden zijn worden afgekondigd. Onze Herinneringszondag staat overigens los van religie en geloof. We organiseren het niet om zieltjes te winnen. De insteek is niet: ‘We moeten ze de kerk inkrijgen’. Als christen krijg je het vanuit je opvoeding mee om vanuit een andere invalshoek naar het leven te kijken. Het idee is om er te zijn voor een ander.”

Invulling Herinneringszondag IJsselmonde

“Tijdens de Herinneringszondag ligt op elk graf of bij de urn van degene die dat jaar overleden is een bloem. Er is een stiltehoek, men kan een kaarsje branden en er liggen gedichtenbundels. Ook wordt er gezorgd voor koffie, thee en een lekkere koek. Er zijn een aantal mensen uit de kerk aanwezig die capabel zijn om gesprekken te voeren. En ook de voorlopers zijn aanwezig. Het ligt aan het weer hoe druk het is, maar we zien dat er de hele dag door mensen de begraafplaats bezoeken.” 

Bijzondere ontmoetingen

“Je ziet boeiende gesprekken ontstaan tussen mensen. Zo waren er twee mannen die tijdens de Herinneringszondag in gesprek raakten over hoe erg het alleen zijn is en hoe vervelend het is om als man je eigen prakje te moeten koken. Er ontstond een band tussen deze twee.  Ze kwamen elkaar later weer tegen op de begraafplaats en gingen samen dingen ondernemen. 

Wars van commercie

“We houden het laagdrempelig, het mag geen commercieel karakter gaan krijgen. En we blijven in beweging. Volgend jaar willen we op de zaterdag voor Eeuwigheidszondag in een monumentale kerk in Rotterdam een avond houden met wat muziek en gedichten.  

Aanleiding om in gesprek te gaan

Van oudsher zijn we een calvinistisch land en je ziet dat sommigen moeite hebben met andere invullingen van Eeuwigheidszondag. Maar er is ook een kentering. Een nieuw initiatief rondom deze dag is niet iets dat je jezelf op moet leggen. Je moet het doen vanuit het gedachtegoed van de Protestantse Kerk. Je geeft wat mee, je laat merken dat wij er willen zijn voor een ander. Het moet ook niet bij eenmaal per jaar blijven. Het is een mooie aanleiding om in gesprek te gaan en mensen te wijzen op andere mogelijkheden om eens onder het genot van een kop koffie verder te praten.” 

 »lees verder»

 

Afspraken maken over veilig omgaan met elkaar

Oecumenisch Centrum De Regenboog staat in de Leidse Merenwijk. Protestanten vormen daar samen met rooms-katholieken een geloofsgemeenschap, aangestuurd door een wijkkerkenraad, een vicariaatsbestuur en een gezamenlijke Algemene Kerkelijke Merenwijkraad (AKM). Toen de AKM een brief ontving om werk te maken van een veilige parochie, besloot deze raad beleid te ontwikkelen voor de hele geloofsgemeenschap. De Regenboog vormt immers één geloofsgemeenschap waar nauwelijks meer te onderscheiden is wie protestant en wie rooms-katholiek is.

Wat voor gemeente willen we zijn?

Ester Korbee, secretaris van de AKM, kreeg de opdracht om een voorstel voor beleid te maken. “Ik wilde insteken bij wat voor gemeente we met elkaar willen zijn. Dat het gewoon is om op zo’n manier met elkaar om te gaan dat de persoonlijke grenzen worden gerespecteerd en iemand een ander niet intimideert.” Ze zocht informatie die haar daarbij kon helpen; de website Veilige gemeente bleek behulpzaam.

Vervolgens formuleerde ze drie gedragscodes. Voor vrijwilligers met een bestuurlijke taak, voor vrijwilligers in het jeugdwerk én voor vrijwilligers die werken met mensen in een kwetsbare positie. Het verschil zit vooral in het taalgebruik, zodat degenen die de gedragscode moeten ondertekenen zich erin herkennen. 

‘Dit is onze cultuur’

Met de gedragscodes, een voorstel om twee vertrouwenspersonen te benoemen en een voorstel wie een VOG (Verklaring Omtrent Gedrag) aan zou moeten vragen, ging Korbee naar de AKM. Deze keurde de plannen goed. Afgelopen mei organiseerde Korbee daarop een avond voor iedereen die hiermee te maken gaat krijgen: de vrijwilligers op wie de gedragscode en de VOG van toepassing zijn. 

Tijdens deze avond bleek er in eerste instantie wat weerstand tegen de plannen. Die zat meer in het onbekende dan in onwil, merkte Korbee. “Ik heb toegelicht wat de gedachte achter dit beleid is, dat het erom gaat dat we het met elkaar hebben over onze manier van omgaan met elkaar. Dat we een geloofsgemeenschap zijn die veilig wil zijn voor iedereen. Zo doen wij het hier, dit is onze cultuur. De gedragscodes en VOG’s zijn daarvan een uitwerking.” Er werd vervolgens goed naar elkaar geluisterd en er ontstond draagvlak voor de plannen. 

Blijven bespreken

Wel heeft Korbee de teksten van haar voorstel positiever geformuleerd. “Het gaat tenslotte niet om wat we niet willen maar om wat we wel willen. Het gaat er niet om elkaar te verdenken, het gaat erom dat we met elkaar afspraken maken over hoe we met elkaar omgaan. Er zijn voorbeelden genoeg dat het mis kan gaan. We hebben eensgezindheid nodig om die ene keer misbruik te voorkomen. Het zal je maar gebeuren dat je kind iets overkomt terwijl je het hebt toevertrouwd aan de kerk. We willen mensen kunnen aanspreken als zij doen wat in strijd is met wat is afgesproken.”

Korbee heeft, heel praktisch, gewacht met het aanvragen van de VOG’s tot die voor alle vrijwilligers gratis werden: “Dat scheelt rond de 40 euro per persoon. Dat tikt wel aan bij een aanvraag voor honderd vrijwilligers.”

Ze realiseert zich dat het hiermee niet klaar is. “We moeten het onderwerp levend houden, er met elkaar over blijven praten. En met nieuwe vrijwilligers wordt het gesprek hierover gevoerd. Ik zorg er daarna voor dat de gedragscode wordt ondertekend en de VOG wordt aangevraagd.” 

Hier vindt u het beleid van De Regenboog: De geloofsgemeenschap als veilige omgeving.

Via dit formulier kan uw gemeente gratis VOG’s aanvragen. 

 

 

 »lees verder»

 

Benoemingen generale synode november 2019

Ingestemd is met de voorgenomen benoeming van dr. C.P. Boele tot lid van het college van bestuur van de Protestantse Theologische Universiteit.

Tot lid van het Generaal College voor de Ambtsontheffing zijn benoemd:

  • dhr. F.A.J. Groenendijk
  • mw. ds. A.T. Metz-Brink

Tot lid van het Generaal College voor de Behandeling van Bezwaren en Geschillen zijn benoemd:

  • dhr. W. Pot
  • mr. C. van Viegen

Tot lid van de Generale Raad van Advies is benoemd:

  • ds. P.A. Verbaan

Tot lid van de Raad van Advies voor het Gereformeerde Belijden is benoemd:

  • ds. M.J. Tekelenburg

Tot preses van het moderamen van de Generale Synode van de Protestantse Kerk is gekozen:

  • ds. M.C. Batenburg
 »lees verder»

 

Synode in gesprek over ambt en vermogen

Visie op het ambt

De generale synode besprak in april 2019 de nota Mozaïek van kerkplekken. De bespreking spitste zich onder andere toe op het ambt en de opleiding van voorgangers in nieuwe vormen van kerk-zijn. In grote meerderheid vond de synode dat een bezinning op het ambt vooraf moet gaan aan het eventueel nemen van concrete besluiten over de opleiding en het functioneren van voorgangers van nieuwe kerkplekken.  

Een werkgroep is aan de slag gegaan over vragen rond opleiding, ambt, werkveld en bevoegdheden en bracht gisteren een tussenrapportage uit. De definitieve besluitvorming vindt plaats in de vergadering van de generale synode van april 2020.

Belang van goede opleiding

Alhoewel er waardering was voor de tussenrapportage waren een aantal predikanten zorgelijk over het mogelijk versoepelen van een academische theologische opleiding voor voorgangers, bijvoorbeeld voor voorgangers bij pioniersplekken. 

Ds. Bos (Classis Zuid-Holland noord) vraagt zich af of niet juist voorgangers van pioniersplekken eerder beter dan minder goed opgeleid zouden moeten zijn dan de huidige predikanten. “Je hebt daar namelijk ontmoetingen met mensen met verschillende achtergronden en taalvelden.”

Ds. Pierre Eijgenraam (Classis Gelderland Zuid & Oost) onderstreept nog eens het feit dat het voorgaan in een wekelijkse eredienst echt een academische achtergrond vergt. “Iedere gelovige is in staat om minstens één goede preek te houden. Je moet toch kunnen uitleggen waarom je gelooft. Iemand met veel levenservaring kan misschien zelfs meerdere goede preken houden. Maar als je het iedere week moet doen, wordt het een vak.”

Vermogen

Daarnaast doet de werkgroep ‘werkzaam vermogen’ onderzoek naar het vermogen van gemeenten. Ook hierbij is het startpunt de essentie van kerk-zijn geweest. Waartoe is een gemeente bedoeld? Helder is dat gemeenten verstandig met hun geld moeten omgaan en niet ‘hun talenten in de grond moeten begraven’, aldus de voorzitter van de werkgroep tijdens de presentatie van de tussenrapportage

Synodelid ds. Oldenhuis (Evangelische altreformierte Kirche) vat het als volgt samen: “Niet alleen het geld, maar ook het evangelie moet rollen.”

 »lees verder»

 

Generale synode stelt beleidskader kerngemeenten vast

Al vervolg daarop is een werkgroep aan de slag gegaan om beleidskaders voor deze zogenaamde kerngemeenten op te stellen. Dat beleidskader lag nu ter tafel. De generale synode heeft unaniem besloten dat beleidskader - met inachtneming van der ter vergadering aanvaarde amendementen en door het moderamen gedane toezeggingen - te aanvaarden. 

Daarnaast draagt het moderamen de dienstenorganisatie op om kerkplekken te begeleiden die kerngemeente willen worden. Na vijf jaar wordt deze situatie geëvalueerd. 

Wat zijn kerngemeenten?

In het geval van pioniersplekken die zelfstandig worden, wordt de pionier ouderling. Daarmee mag hij/zij de ambtelijke werkzaamheden uitvoeren die normaal gesproken een predikant vervuld. Het is een hulpconstructie waartoe de generale synode in juni 2019 heeft besloten.

Daarnaast is in de juni-vergadering besloten dat een kerngemeente tenminste tien doop- of belijdende leden moet tellen en dat minimaal een ouderling, diaken en een ouderling-kerkrentmeester de kernraad vormen. Ter vergelijking: een ‘normale’ gemeente heeft minimaal zeven leden in de kerkenraad.

 

Veel vragen

Hoewel het besproken beleidskader een voortzetting is van eerdere besluiten, hebben synodeleden een groot aantal vragen en opmerkingen over hoe kerngemeenten precies gaan functioneren en wat de samenhang is met ‘gewone’ gemeenten en pioniersplekken. 

Zo is ds. Wöhle (adviseur Evangelische-Lutherse Synode) bezorgd dat er een ‘uitgeklede vorm van kerk-zijn’ wordt gecreëerd waar niet goed over is nagedacht en waar men na vijf jaar zo aan gewend is dat het niet meer teruggedraaid kan worden. 

Daarnaast is een aantal synodeleden bang dat kerngemeenten losgezongen raken van het geheel van de kerk. Ook zijn er vragen over de bevoegdheid van voorgangers, zeker ook omdat het gesprek over de ambtsvisie nog gevoerd moet worden (in 2020). 

Ouderling Anna Verbeek (classis Noord-Holland): “Het beleidskader zoals dat nu ter tafel ligt, vraagt in zijn geheel om nog wat nadere uitwerking. Wat houdt precies de begeleiding van de dienstenorganisatie in? Hoe is de verbinding met omringende gemeenten? Vooral dat laatste punt wil ik benadrukken: het belang van onderlinge verbinding." 

Ruimte voor de geest

Ds. René de Reuver, scriba generale synode, reageert ferm op alle vragen die synodeleden stellen. “We hebben in eerdere vergadering uitgesproken dat we in nieuwe vormen van kerk-zijn de werking van de Geest zien en dat we hier ruimte voor willen geven. Waar we nu over spreken is staand beleid waarvan we hebben afgesproken dat we dat de komende vijf jaar voortzetten. Ook hebben we afgesproken dat we tussentijds gaan praten over de ambtsvisie. Dit is het kader waarin we staan. We wijken niet af, maar we zetten die lijn voort. Opdat deze kerngemeenten zich kunnen ontwikkelen, gaan we dit niet blokkeren. Tegelijkertijd gaan we dit goed regelen.”

 »lees verder»

 

Generale synode: VOG voortaan verplicht voor ambtsdragers en vrijwilligers in de kerk

Daarnaast worden gemeenten verplicht tot  aanstelling van gekwalificeerde vertrouwenspersonen per gemeente of per ring van gemeenten. [Zie ook de training 'interne vertrouwenspersoon']

Dit is besloten naar aanleiding van de evaluatie van het rapport ‘Schuilplaats in de Wildernis’ (1999). Opnieuw is bevestigd dat wat de Triosynode in 1999 uitsprak, te weten:

  • seksueel misbruik is zonde; kwaad in Gods ogen en onrecht tegenover de medemens;
  • de kerk dient onomwonden te kiezen voor de slachtoffers van seksueel misbruik.

Verklaring Omtrent Gedrag

Ds. Sophie Bloemert, projectleider van de evaluatie, leidde het onderwerp in. “Voor de projectgroep was het snel duidelijk: een VOG is een maatschappelijke must, ook al geeft het verkrijgen dan wel kunnen overleggen van een VOG geen garantie. Maar het is tegenwoordig een wezenlijke randvoorwaarde.” 

Alle synodeleden die gebruik maakten van de sprekersronde zijn dankbaar voor het rapport. Men erkent unaniem het belang van dit onderwerp. Ook was er dankbaarheid voor de reeds bestaande protocollen. 

Ds. Rijken (classis Utrecht): “Ik heb kerkenraadsleden gesproken die het fijn vonden dat ze hierop konden terugvallen als de verschrikkelijke situatie van seksueel misbruik zich voordoet.” Daarnaast benadrukt ze dat het onderwerp hoe dan ook regelmatig door de kerkenraad besproken moet worden. “Er rust nog een taboe op dit onderwerp, terwijl het heel belangrijk is om na te denken over de positie van kwetsbare mensen in de gemeenten.”

Als iemand geen VOG krijgt

Daarnaast waren een aantal praktische vragen over het aanvragen van VOG’s. Zo vroeg ouderling Van Delft (classis Gelderland Zuid&Oost) zich af hoe we omgaan met vrijwilligers die geen VOG kunnen krijgen. “Waar leggen we de knip? Stel dat diegene altijd samen met iemand de crèche leidt?“ Ook ouderling Van Heijningen (Classis Groningen-Drenthe) vraagt zich af hoe je de mogelijkheid kunt creëren om mensen die geen VOG kunnen krijgen toch een rol kunnen krijgen in de kerk. “Stel dat we die persoon in de gemeente hebben leren kennen als een berouwvol persoon.”

Klaas Bakker (voorzitter college van visitatoren) benadrukt het belang van het aanvragen van een VOG. “Het aanvragen is een goed signaal. Je bant seksueel misbruik helaas nooit uit. Maar maak de kans zo klein mogelijk!.”

Vertrouwenspersonen

Ouderling van Tol suggereert nog dat vertrouwenspersonen van de kerk contact zoeken met vertrouwenspersonen van scholen en voetbalverenigingen in de omgeving, om bijvoorbeeld expertise uit te wisselen. Op het gebied van expertise geven een aantal predikanten aan dat het goed zou zijn om dit onderwerp een plaats te geven in de permanente educatie van predikanten. Hoe dit vorm te geven wordt in de komende periode onderzocht.

De projectgroep die het rapport uit 1999 geëvalueerd heeft, doet nog meer aanbevelingen die ervoor moeten zorgen dat het bewustzijn in gemeenten rond het thema ‘veilige gemeente’ groeit.

Ds. Bloemert realiseert zich dat gemeenten veel huiswerk krijgen. Toch benadrukt ze het grote belang van het thema ‘veilige gemeente’. “Meermalen hebben we in de projectgroep tegen elkaar gezegd: in de gemeenten is het werk aan de schuilplaats te doen. Daar klopt het hart van ons kerk-zijn, daar mogen gelovige mensen met elkaar elke dag laten zien wat we zijn: een gemeente van Jezus Christus.”

 »lees verder»

 

Nieuwe preses: ds. Marco Batenburg

Met vrucht en visie leidinggeven

In zijn kennismakingstoespraak geeft Batenburg aan dat hij hoopt dat in vergaderingen van de synode niet alleen besluiten worden genomen, maar ook het geloofsgesprek plaatsvindt.

“Als kerk leven en herleven we van de gekruisigde en opgestane Christus. Onze vreugde ontspringt telkens aan die Bron. Laten we als synode telkens weer de kerk uitnodigen om het van deze Christus te verwachten. Om van zijn genade te leven. Ik hoop dat de synode ook een plaats zal zijn om elkaar daarin te oefenen. Niet alleen een vergadering waarin besluiten worden genomen, maar ook een ontmoetingsplaats om het geloofsgesprek voeren. Om van daaruit ook met vrucht en visie leiding te geven aan de kerk.”

Werkervaring

Batenburg is momenteel gemeentepredikant in de Protestantse Gemeente Gouda (wijkgemeente Sint Janskerk). Daarvoor is hij gemeentepredikant geweest in Waddinxveen, Zalk en Veecaten. 

Batenburg studeerde theologie aan Universiteit Utrecht. Hij is afgestudeerd in de vakken dogmatiek en Nieuwe Testament.

Naast zijn predikantschap bekleedt Batenburg op dit moment een aantal bestuurlijke functies: lid van de Raad van Toezicht van de Hervormde Stichting Sonneburgh (gezondheidszorg; portefeuille identiteit) en voorzitter Raad van Toezicht van de IZB, vereniging voor Zending in Nederland. Deze laatste functie zal hij in verband met mogelijke belangenverstrengeling per direct neerleggen.

 »lees verder»

 

"Prijs de Heer, mijn ziel" - protestantse visie op de ziel

I. Inleiding 

Tegenwoordig zijn er meer mensen in Nederland die geloven dat ze een ziel hebben die na de dood voortleeft (53%) dan mensen die in een God of ‘iets’ geloven (42%). Het geloof dat ‘ik’ op de een of andere wijze voortleef is volop aanwezig. Maar niet alleen op die manier vind je geloof in de ziel in onze cultuur. Er zijn ook filosofen, schrijvers, en columnisten die zo af en toe een lans breken voor de ziel als ‘de unieke ervarende persoon’ of die de ziel schetsen als ‘de kern van de mens die gevormd moet worden’. En natuurlijk is er nog het populaire beeld van de ziel als een goddelijke vonk, een energie in ons die ons verbindt met de kracht van het universum. Zo’n zielidee kun je tegenkomen op je douchegel van het merk Rituals, en in de wachtruimte bij de kapper in Happinez, het magazine “voor wie op zoek is naar verdieping, verrijking en verwondering”. Zo’n zielbegrip vind je zelfs in Petrus, het eigen magazine van de Protestantse Kerk om protestanten te inspireren. In het nummer van december 2018 vertelt ouderling Piet Pijl naar beneden uit Westerhaar: “Ik geloof dat ieder mens een eeuwige ziel heeft die een deel van God is.” 

In de kerk klinkt het woord ziel onder meer bij het zingen van de psalmen. “Ziel, gij zijt geboren tot zingen voor den Heer uw God” (Psalm 146 berijmd 1967). Maar wat bedoelen we eigenlijk als we het over de ziel hebben? We hebben allemaal onze eigen voorstelling bij de ziel en in verschillende hoeken van de kerk worden er verschillende accenten gelegd. 

Eeuwenlang was het woord ziel herkenbare en gemeenschappelijke taal in de theologie en de kerk. “God en de ziel verlang ik te kennen, niets anders.” Het zijn gevleugelde woorden van Augustinus. Maar tegenwoordig spreken gelovigen niet meer zo makkelijk van het bestaan van de ziel, waarmee ik bedoel: datgene waarnaar ik verwijs wanneer ik “ik” zeg.

Mensen hebben wel intuïties over de ziel, maar in onze cultuur is ook een materialistisch mensbeeld sterk aanwezig. Het lijkt soms alsof ‘de wetenschap’, waaronder de neurowetenschappen geen ruimte laten voor de ziel. De mens zou louter lichaam zijn. Dat is een invloedrijke bewering. Nu kan, en wil, ik de filosofische argumentatie tegen een materialistisch verstaan van de mens binnen het bestek van deze lezing niet geven. Wat ik nu wel graag wil doen is u meenemen in waarom de ziel van belang is voor de gelovige, waarom het juist in de kerk ook zinnig is om over de ziel te spreken. Wat heeft de ziel voor betekenis in het geloof? 

Ook gelovigen stellen kritische vragen, zoals: is de ziel geen ‘Griekse uitvinding’ die het Bijbels spreken over de mens overschaduwt? En doet het spreken over de mens als ziel het lichaam, Gods goede schepping, niet te kort? 

Daarom ben ik op zoek naar het juiste gebruik van het woord ziel, in lijn met het Bijbelse spreken over God en mens. Deze lezing staat daarmee in een beweging om met elkaar met de kernen van het geloof en daarmee de kern van het kerk-zijn bezig te zijn. Kerk 2025: waar een Woord is, is een weg

Dat betekent dat ik eerst in ga op waarom de Bijbel aanleiding geeft om over de ziel te spreken (II). Vervolgens sta ik stil bij de vraag ‘hoe gaat het met uw ziel?’ (III). Waar vragen we dan eigenlijk naar en waar níet naar? Daarna is het hoog tijd voor ‘het lichaam’ (IV) en ten slotte wil ik het nog hebben over de ziel en de kerk (V). 

Ik begin met de vraag die ik zelf vaak krijg: ‘waar staat ‘de ziel’ in de Bijbel?’  

II. De ziel in de Bijbel? 

Ga je dan op ‘ziel’ zoeken op www.debijbel.nl? Dan kom je er snel achter dat het aantal hits aan de gekozen vertaling ligt. De Herziene Statenvertaling geeft 381 Bijbelverzen met een of meerdere keren het woord ‘ziel’, de Nieuwe Bijbelvertaling 114 verzen en de Bijbel in Gewone Taal slechts 19. Er is hier duidelijk sprake van een verschillende aanpak, maar ook een verschil van inzicht bij de verschillende vertalers. 

 Men vertaalde traditioneel het Hebreeuwse woord nefesj en het Griekse woord psyche met ziel. Maar, zoals het woord ziel in het Nederlands, hebben nefesj en psyche in verschillende contexten in de Bijbel verschillende betekenissen. En er is nog steeds discussie onder bijbelwetenschappers over de betekenis daarvan. Voor een antwoord op de vraag naar ‘de ziel in de Bijbel’ is meer dan woordonderzoek nodig. 

Ik wil u daarom wat Bijbelse redenen aanreiken waaruit blijkt dat het zinvol is om te spreken van ‘de ziel’ zoals ik daar net al even over sprak: datgene waar je naar verwijst als je ‘ik’ zegt.

Het eerste wat dan gezegd moet worden is dat wij dankzij de Schrift horen van God als een Iemand, met een hoofdletter: als iemand tegen wie wij mensen, deel van zijn schepping, ‘jij’ of ‘U’ kunnen zeggen. Zo begint het al in de eerste hoofdstukken van Genesis. God spreekt mensen aan en vraagt om een antwoord. Hij wil een relatie aangaan met deze schepselen. ‘Wat is de mens dat U aan hem denkt?’ (naar psalm 8) We kunnen aangesproken worden en antwoorden op God. We kunnen een relatie met Hem aangaan! Dan moeten wij dus wel mensen zijn met een eigen beleving en een eigen verantwoordelijkheid: ‘een ik’. 

Ten tweede vinden we in de Schrift het geloof dat de mens na de dood nog met God in relatie kan leven. In het Oude Testament ontwikkelt zich een geloof in leven na de dood (bijv. Psalm 49, 73, 139), zelfs een geloof in de opstanding van de doden (Dan 12:2). In de tijd dat Jezus leefde, geloofden veel joden dat er een opstanding van het lichaam zou zijn en dat de ziel van de mens, soms aangeduid met de Griekse term psyche, tot die tijd bewaard zou worden door God in de hemel. In het Nieuwe Testament komt het geloof in de opstanding van de doden tot volle bloei. Dat betekent dus dat ‘ik’ op de een of andere manier moet blijven bestaan na de lichamelijke dood. Ongeacht hoe ‘bewust’ het leven na de lichamelijke dood tot de nieuwe belichaming beleefd wordt, wie gelooft dat zijn ‘ik’ met alle mooie en minder mooie kanten bewaard blijft dankzij God, die veronderstelt wat in de christelijke traditie en moderne filosofie ‘ziel’ wordt genoemd. En in het christelijk geloof is dat een door God geschapen en van Hem afhankelijke ziel. 

Soms wordt er in het Nieuwe Testament gesproken van direct na de dood bij Jezus zijn, bijvoorbeeld door Paulus (in Fil. 1.23, 2 Kor. 5). Daar hoeft niet een bepaald Grieks woord voor gebruikt te worden, zoals psyche. Wel is het zo dat psyche soms wordt gebruikt om de kern van de mens die het lichaam kan overleven, aan te duiden. Zoals in Matteüs 10:28: “Wees niet bang voor hen die wel het lichaam maar niet de ziel kunnen doden. Wees liever bang voor hem die in staat is én ziel én lichaam om te laten komen in de Gehenna.” (NBV)

Het zijn woorden van de Heer Jezus. Door de evangeliën horen wij hoe Hij mensen oproept om tot Hem te komen en zich te bekeren tot het Rijk van God. Hij spreekt mensen aan in Gods naam en vraagt om antwoord. In veel Nieuwtestamentische brieven worden gelovigen opgeroepen hun leven zo in te richten dat het in overeenstemming is met hun roeping. De mens, een van Gods schepselen, wordt geroepen om God te naderen door Jezus Christus en veranderd te worden door de Geest. Paulus, bijvoorbeeld, blijft hameren op de gave van de Geest die gelovigen verandert: de oude mens (NBV) of het oude ‘ik’ (BGT) gaat aan het kruis (Rom 6:6). We spreken ook van ‘een nieuwe schepping’ zijn in Christus (2 Kor. 5:17, Gal. 6:15). De mens die bij Christus hoort is ‘nieuw’ en verandert (t.t.). De geschapen mens kan aangesproken worden en veranderen; dat is een derde Bijbelse reden waarom de ziel van belang is.

Want de bekeerde mens wordt veranderd door de Geest; vernieuwing is een levenslang proces. Ben ik dan een ander mens in de zin dat ik niet meer dezelfde ben als toen ik geboren werd op 28 augustus 1990? Als het goed is ben ik op allerlei manieren anders, maar ik ben nog steeds Martine. Ik ben nog steeds dezelfde geschapen ziel. God verandert ons niet op die manier dat Hij mij uitwist en een nieuw mens schept. Er is geen andere ziel, Hij verandert mij. Een ‘nieuw mens’ ziet met de ogen van geloof zijn hele leven, de fraaie en minder fraaie kanten en tijden. Daarin ziet hij zijn zonde onder ogen en onderscheidt het werk van de Geest: in dat ene leven. Of als er een kindje of volwassene ten doop wordt gehouden, wat gebeurt daar dan? God verbindt zijn Drie-Ene Naam aan haar, zij gaat onder in Christus’ dood. Dat geldt nog steeds voor haar als zij 29 of 57 is en in veel opzichten ‘anders’ is. Mijn hele leven telt voor God, mijn hele wezen wordt gedaagd. Als we zo spreken, veronderstellen we een ziel, een subject of een zelf met identiteit door de tijd heen. Er is ‘iemand’ die in gemeenschap met Christus kan leven en die veranderd kan worden door de Geest! 

Omdat het uitzien naar Gods Rijk al handen en voeten krijgt in dit leven, omdat de Geest nu al in ons werkt, omdat God ons in dit door Hem geschapen aardse bestaan aanspreekt, is de ziel niet alleen een zaak van het eeuwige leven. De ziel staat in het hier en nu op het spel. 

III. Ziel: schatgraven in jezelf?

Daarom wil ik u vragen: Hoe gaat het met uw ziel? Geen zorgen, u hoeft niet plenair te antwoorden. Ik stel de vraag om verder in te zoomen op wat de ziel is. Waar denkt u aan als u die vraag hoort: ‘Hoe gaat het met uw ziel?’?

Volgens mij is het zo dat als je die vraag stelt, binnen en buiten de kerk, je de ander uitnodigt iets te zeggen over de kern van zijn bestaan. Uit een eerlijk antwoord blijkt wat er werkelijk toe doet in iemands leven. Dat kan God zijn, maar dat kunnen ook heel andere dingen zijn. 

Hoe is het met uw ziel? Het gaat dan om hoe het werkelijk met u gaat, niet om een of andere kostbare juweel in je binnenste waar je het contact mee moet herstellen. Dat is een voorstelling die je zowel binnen als buiten de kerk kunt tegenkomen. Om drie redenen denk ik dat dit geen behulpzaam idee van de ziel is.

(1) Zoals gezegd, de ziel is het hele subject, het ‘ik’ dat hopelijk diepten kent. Waarschijnlijk ligt dat niet op straat. Toch kan het best tegenvallen hoe ‘diepgaand’ dat ‘zelf’ is. Dat er maar weinig gelaagdheid is. Niet dat het ideaal de filosoferende, contemplerende mens is, of een eindeloos reflexief typ dat veel geld kan neerleggen voor een goede coach. Nee, ik bedoel dat het tegenvalt wat ‘mij’ vult. Ga je spitten en blijk je vooral leegte te vinden. Of een obsessie met Instagram, Marktplaats of Netflix, geen ander innerlijk leven meer dan het volgen van de laatste trends en de personages van Homeland. Of je ziel zit vol jaloezie en geldingsdrang. De ziel kan dichtgeslibd zijn, diepte ontbreken. Vaak zie je dat pas als je naar jezelf kijkt in het licht van wat volgens jou van grote waarde is in het leven. Je ziel verliezen is een heel reële ervaring; je zelf, wat het dierbaarst is in je leven ‘kwijtraken’. “Want wat zal het een mens baten als hij heel de wereld wint en aan zijn ziel schade lijdt?” (Mc 8:36 - HSV)

(2) Als er een gaaf deeltje in mij zou zijn dat het waard is ‘ziel’ genoemd te worden, wat zegt dat dan over die andere delen die ik minder mooi vind? De bepaling van wat dan dat ‘goede deel’ is, is bijzonder lastig en niet zonder gevaar. Is het niet verstandiger het hele ik, inclusief de modderige delen, als ziel voor God te erkennen en daarmee ook de werkelijkheid dat een mens kan veranderen en geheiligd kan worden? De hele aardse werkelijkheid doet mee in ons leven voor God. De Geest wil niet buitengesloten worden met een excuus als “Ik ben nu eenmaal zo”.

(3) De idee dat een speciaal deel in ons onze ziel is, betekent voor veel mensen ook dat we een goddelijke vonk zouden hebben. Dat er een verborgen, goede en soms ook eeuwige of goddelijke kern is waar je bij moet zien te komen en waar je op kan intunen voor een ‘bezield leven’. Maar mijn diepste ‘ik’ is geen God of een deeltje van God of een goddelijke energie. Vaak gaat het geloof in God als een onpersoonlijke kracht ook samen met het idee dat wij ten diepste geen ‘ik’ of ‘persoon’ zijn en uiteindelijk op zullen gaan in de goddelijke energie. Dat verschilt wezenlijk van het christelijk geloof waarin ieder mens voor God verantwoording aflegt en zijn menselijke zelf mag blijven in relatie tot Hem.

De door God geschapen ziel met haar hoogten en diepten, glanzende en doffe kanten, kan gewonnen worden voor God, door Christus. Zorg voor de ziel is niet jezelf doorgronden of een ‘schat’ in jezelf vinden, een eeuwige kern, maar het ‘ik’ ont-spannen door Gods Geest te ontvangen. De Heilige Geest werkt aan ons, in ons hele wezen, de mooie en lelijke kanten. De Geest, niet wij zelf, geeft diepte aan onze ziel. En Hij zet ons hele aardse, lichamelijke leven voor God. 

IV. Ziel en lichaam

Waar blijft het lichaam? Dat vraagt u zich misschien wel af inmiddels. De menselijke ziel lijkt zeer afhankelijk van het lichaam, in het bijzonder van de hersenen. Maar dat betekent niet dat ik mijn lichaam, of mijn brein, ben. Wat bijvoorbeeld de MRI-scanner ‘ziet’ aan hersenactiviteit, als hij al kan ‘zien’, moet altijd nog door ‘mij’ toegelicht worden: ‘ik’ ervaar en alleen ik kan vertellen wat er door mij heen gaat op het moment dat een bepaald hersendeel oplicht op een scherm.

Wel leef ik helemaal in, met en door mijn lichaam. Zo heeft God de mens geschapen: belichaamd. Mijn ziel ademt als het ware in en door mijn lichaam, dat het belangrijkste punt van contact voor de menselijke ziel is. In principe komen alle ervaringen in dit leven, ook geestelijke, door het lichaam tot de ziel. De ziel wordt dan ook gevormd door lichamelijke ervaringen. Ik, mijn ziel, word gevormd door het aardse en lichamelijke bestaan. Je kunt heel blij worden van hoe je lichaam functioneert, ‘goed in je vel zitten’, maar het kan ook heel anders: dat je doodsbang wordt van wat er in je lichaam gebeurt. 

De menselijke ziel werkt niet alleen samen met het lichaam, bij het denken, het spreken, het handelen; de ziel beïnvloedt het eigen lichaam ook. Mensen kunnen lichamelijk ziek worden van verdriet. En wie langdurig de grenzen van zijn eigen kunnen overgaat, steevast meer doet of het gevoel heeft meer te moeten dan hij aankan en zo structureel gestrest is, die kan overspannen en zelfs burn-out raken: lichaam en ziel worden futloos. Zo nauw zijn lichaam en ziel met elkaar verweven. Je lichaamscellen kunnen zich allemaal verversen, maar je hele leven moet jij extra opletten dat het niet weer ‘te veel’ wordt. 

En juist daarom is het ook zo belangrijk om ook te ‘luisteren naar je lichaam’. Het lichaam informeert de ziel over zichzelf: wat heb ik nodig? Ziel en lichaam zijn zo nauw verweven dat de zorg ervoor nauwelijks te scheiden is.

Toch is het behulpzaam om ziel en lichaam te onderscheiden.  Denk bijvoorbeeld aan ‘pa’ of ‘vader’ met de ziekte van Alzheimer. Verdwijnt hij langzamerhand? Bepaalde capaciteiten kunnen wegvallen, maar daarmee valt de ziel van pa nog niet weg. Wij zien hem soms niet meer en mogelijk kan hij ook niet meer in zichzelf afdalen nu zijn lichaam hem zo in de steek laat, maar God ziet hem en weet wie hij is. Meestal gaat ons contact met God door ons lichaam. We gebruiken immers onze zintuigen. Maar: we kunnen niet uitsluiten, gelukkig niet, dat God de ziel beroert van mensen met wie wij geen contact meer krijgen of die geen contact met anderen kunnen leggen. ‘Ik’ zeggen is geen voorwaarde om een ziel te zijn. 

Wat te denken van baby’s en kleine kinderen die zich nog niet bewust lijken van zichzelf? Als er geen zelfbewustzijn is, is er dan geen ziel, geen zelf met een ‘eigen’ beleving? Zo benaderen we baby’s wel, als een ‘jij’, die zelfs voordat hij of zij zich bewust is van zijn ‘zelf’ gedoopt kan worden… God ziet om naar die ziel. 

Over de ‘eigen’ beleving van een kind gesproken, Lucas 1 verhaalt: “(43) Wie ben ik dat de moeder van mijn Heer naar mij toe komt? (44) Toen ik je groet hoorde, sprong het kind van vreugde op in mijn schoot.” (NBV) Naïef? Waarom zou een baby, ja zelfs in de moederschoot, geen vreugde in Christus kunnen ervaren? Of iemand die op het niveau van een baby is gebleven en veel zorg nodig heeft? Ieder geschapen mens heeft een ziel, ook al kan hij of zij zich niet met taal uitdrukken. Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat baby’s stress kunnen ervaren in de baarmoeder, waarom geen vreugde? Dat voor ons verborgen leven kan volledig gezien worden door God de schepper. Als Hij een volwassene zoals u vreugde kan geven, dan toch zeker een zich ontwikkelend kind! (cf. Lucas 19:18 “Ik verzeker jullie: wie niet als een kind openstaat voor het koninkrijk van God, zal er zeker niet binnengaan!” NBV) Het Evangelie is niet alleen voor zelfbewuste, ontwikkelde mensen, het is er ook juist voor mensen die wij soms ‘over het hoofd’ kunnen zien. 

V. Kerk: oefenplaats voor ziel en zaligheid

Het lichaam van Christus bestaat uit al die verschillende mensen: jong en oud, gezond en ziek. Ook lichamelijk en verstandelijk beperkte zielen tellen volledig mee. Spreken van ‘hoeveel zielen de gemeente telt’ is niet meer zo gebruikelijk. Maar misschien dat het af en toe gebruiken van deze uitdrukking kan helpen bij het bepalen bij de kern van het kerk-zijn. Je kunt er een beetje zenuwachtig van worden: dat het gaat om de ziel, uw ziel, mijn ziel. Er staat wat op het spel in dit leven. Is de kerk de plek waar het gaat om ‘ziel en zaligheid’? Waar mensen de ruimte krijgen om hun ziel te laten ademen met alles wat ze zijn en wat in ze leeft? Is de kerk een plek waar mensen open durven te staan voor de Geest? 

De ‘geestelijke dimensie’ kan er zomaar bij in schieten in de kerk. Er moet vaak zoveel geregeld worden om de zaak draaiende te houden. Kerkbeheer staat vaak boven aan de agenda. We moeten aan de slag, relevant zijn voor de wereld, voor dorp en stad. Mag juist de kerkgemeenschap een plek zijn waar de ziel tot rust komt, verpoost, vrede ervaart, gered wordt en gaat verlangen naar God, bidt om en handelt met het oog op zijn Rijk van recht en vrede? De oefenplaats waar goed voedsel voor de ziel is. En een mens die voor zijn ziel laat zorgen door zich door God te laten vinden, wordt van zichzelf bevrijd en ziet de ander in nood, ook buiten de kerk. Onze ziel moet gewonnen worden. 

De zondagse eredienst is het epicentrum van het ‘winnen van de ziel’ voor Christus. Daar wordt door de verkondiging een gooi naar de ziel gedaan en wordt de ziel door de sacramenten gevoed. Het ontvangen van brood en wijn, lichaam en bloed van Christus doet wat met ons, dat blijkt wel uit Paulus’ waarschuwing jezelf geen oordeel te eten en drinken (1 Kor. 11:29). Het kan ook weldadig zijn voor de ziel. Door het lichaam wordt de ziel gevoed. 

Ik rond af. De Schrift biedt geen kant-en-klaar zielbegrip, maar het Bijbels spreken over de geschapen mens die door God geroepen wordt, geeft wel aanleiding om van de ziel te spreken. Omdat het God gaat om het hele aardse leven van die ene mens, dat ene ‘ik’, en het leven daarna, spreken we van de ziel van de mens. Het ‘ik’ dat kan ervaren, handelen, denken, verlangen, en dat in alle verandering toch steeds ‘Martine’ blijft en verantwoording moet afleggen aan God. De mens is geschapen als lichaam en ziel en mag dankzij Christus uitzien naar een nieuw lichaam. De ziel is dus geen intrinsiek goede of goddelijke kern in mij waar ik contact mee moet leggen. Wie wel ‘in’ ons kan komen is Gods Geest die ons kan veranderen, ja heiligen, tot Gods eer. Daarom klinkt het in de kerk: “Prijs de HEER, mijn ziel, vergeet niet één van zijn weldaden.” (Psalm 103:2 NBV)

 »lees verder»

 

Protestantse Kerk komt op voor de beschermwaardigheid van het leven

De Protestantse Kerk staat voor beschermwaardigheid van het leven. Velen in onze samenleving maken zich zorgen over de abortuspraktijk in Nederland, zoals onder meer zichtbaar wordt in de Mars voor het Leven (aanstaande zaterdag).

Als kerk vragen we aandacht voor het kwetsbare leven. We komen op voor de beschermwaardigheid van het leven, ook van het ongeboren leven.

Nederland kent een abortuswetgeving, zorgvuldige toepassing is van groot belang. Abortus went niet. Het is een kwetsbaar onderwerp, dat om een pastorale benadering vraagt.

Vanuit de Protestantse Kerk vragen we aandacht voor het ongeboren leven en voor de vrouwen die een abortus overwegen. De kerk biedt de ruimte voor het pastorale gesprek hierover. 

 »lees verder»

 

In Castricum zijn er twee verschillende gedachtenisvieringen en worden nabestaanden persoonlijk uitgenodigd

Verschillende vieringen

“Het ritueel is in beide vieringen, de kerkdienst ‘s ochtends en de vesper om 17 uur, hetzelfde. We staan stil bij hen die overleden zijn. Net als in de ochtendienst is er tijdens de vesper een ritueel met rozen en kaarsen. Naast overeenkomsten is er een duidelijk verschil tussen beide diensten. De vesper is laagdrempelig, er is andere muziek, er zijn andere teksten en er zijn meer stites. De vesperdienst is naar buiten gericht. Het is een viering die we communiceren in kranten en op onze website.”

Doelgroep en symboliek

“We zien dat de middagdienst bezocht wordt door mensen die minder of niks met de kerk hebben en een geliefde hebben verloren. Ze willen horen dat de naam van die geliefde genoemd wordt. Net als in de ochtend worden in de middag de namen van hen die overleden zijn genoemd, per naam wordt een kaars aangestoken en wordt er een roos neergezet. Na het opnoemen van de namen kan men zelf een kaarsje branden. Aan het eind van beide diensten krijgen familieleden het aangestoken kaarsje en een witte roos mee naar huis. De witte roos  staat voor: eenheid, verbondenheid een eeuwig samen. Ook geeft wit aan dat de liefde en het gevoel van samenzijn de dood en de tijd of plaats overstijgt. Mensen liggen bij ons begraven op de begraafplaats direct naast kerk. Ik sta bij het afscheid bij de deur en daar kan het kaarsje aangestoken worden aan de kaars die ik vasthou. Het kaarsje kan vervolgens op het graf gezet worden.”

Pastoraal contactmoment

“Alle nabestaanden krijgen van ons een brief. In Castricum brengen we deze brief zoveel mogelijk persoonlijk. We geven de brief, vertellen dat men kan kiezen tussen de ochtend of de middag. Het is gelijk een pastoraal contactmoment. Je vraagt hoe het gaat, wat er nodig is. Mensen die verder weg wonen krijgen de brief opgestuurd. Persoonlijk uitnodigen vind ik heel belangijk en dat zou ik ook als tip mee willen geven aan anderen. Het is een gelegenheid om te vragen:’Hoe gaat het nu met jou?’. Je weet meteen wat de reden is als mensen niet komen, bijvoorbeeld dat ze er niet toe in staat zijn. Het is een belangrijk contactmoment.”

Samen stilstaan

“Het van horen van de naam, het ontsteken van licht en het krijgen van een roos geeft een gevoel van verbondenheid. Met elkaar en met degene die gemist wordt. Men staat weer even stil bij de herinneringen die men aan zijn of haar geliefde had. Mensen geven aan dat ze het fijn vinden om in de stilte en in muziek mee genomen te worden. Een nabestaande kwam zelfs uit Zeeland rijden om erbij aanwezig te zijn. Je moet niet denken dat je deze mensen ineens op zondag weer terugziet in de kerk. Dat is ook niet het doel. Het is meer dat het fijn voor hen is om weer even terug te zijn op de plek waar bijvoorbeeld vader graag kwam. Daar kun je als kerk belangrijk in zijn.”

 »lees verder»

 

Kliederkerk is succesvolle aanvulling op reguliere kerkdienst

Ruim één derde van de bezoekers is volgens hen helemaal niet gelovig. Hiermee is kliederkerk één van de meest succesvolle missionaire activiteiten van de Protestantse Kerk in Nederland

Chaos van het bestaan

Kliederkerk is een vorm van kerk-zijn waarin jong en oud samen op een creatieve manier de betekenis van Bijbelverhalen ontdekken. Een kliederkerk duurt gemiddeld twee uur en bestaat uit drie delen: samen ontdekken, samen vieren en samen eten.  Nelleke Plomp, projectleider kliederkerk en werkzaam bij de Protestantse Kerk in Nederland: “Wij kunnen niet anders concluderen dan dat de Geest van God ook werkt door glitterlijm, figuurzagen en renspelletjes. Door een zegen onder een kleurrijke parachutedoek en het eten van pannenkoeken. Vanuit en in het geklieder, de chaos van het bestaan, bindt God mensen van alle leeftijden samen.“

Van 100 naar 300 kliederkerken

Deelnemers aan kliederkerk zijn voor het overgrote deel uit kinderen jonger dan twaalf jaar en hun ouders. Op een aantal plaatsen komen ook grootouders met kleinkinderen. 

Van alle kliederkerken zijn veruit de meeste kliederkerken vanuit een protestantse gemeente gestart (80%). Ook zijn er vanuit het Leger des Heils en doopsgezinde gemeenten kliederkerken én zijn er oecumensiche samenwerkingsverbanden. 

De Protestantse Kerk wil het aantal Kliederkerken laten groeien van ruim 100 naar 300 in 2023.

Messy Church

Kliederkerk is geïnspireerd door het Engelse Messy Church, een initiatief van de Bible Reading Fellowship. Kliederkerk maakt deel uit van een inmiddels wereldwijde ‘messy family’: van Sydney tot Los Angeles en van Kaapstad tot Stockholm zijn zo’n 4000 lokale Messy Churches te vinden.

Voor meer informatie zie het rapport 'Bevindingen en lessen na ruim vijf jaar kliederkerk'

 »lees verder»

 

Armoedebestrijding door kerken in Oost-Groningen: ‘Ieder mens telt’

Ze is vergeten een cadeau te kopen voor haar zoon die morgen jarig is. En geld voor taart heeft ze niet. In paniek heeft ze het noodfonds van de kerk gebeld. Meeuwes Luten, voorzitter van de Interkerkelijk Sociaal Fonds Oldambt en diaken van de Protestantse Gemeente Scheemda e.o., gaat ‘s avonds nog even naar haar toe om bonnen voor de supermarkt te brengen, zodat ze toch haar zoons verjaardag kan vieren.

Luten vertelt dit bijna onbewogen terwijl hij een presentatie geeft aan Jurjen de Groot, directeur van de dienstenorganisatie, en René de Reuver, scriba van de generale synode, over het werk van het Interkerkelijk Sociaal Fonds Oldambt Pijl naar beneden . De directeur en de scriba brengen een werkbezoek aan Oost-Groningen dat in het teken staat van armoedebestrijding in die regio Pijl naar beneden .

Kerkelijk noodfonds efficiënter dan overheid

In Oldambt en Westerwolde hebben de kerken de handen ineen geslagen om de armoede in hun regio te bestrijden door het oprichten van een gezamenlijk noodfonds. De voordelen hiervan zijn:

  • uitstralen van dezelfde diaconale opdracht
  • één gezicht naar buiten
  • één loket/aanspreekpunt
  • voorkomen van shoppen tussen diaconieën
  • gezamenlijk zorgdragen voor financiële middelen
  • de mogelijkheid om sponsoren, particulieren en de lokale overheid te vragen financieel bij te dragen
  • bevorderen van de samenwerking tussen de kerken
  • meer deskundigheid door meer aanvragen
  • groter netwerk om geschikte vrijwilligers te vinden

 

Daarnaast, benadrukt Luten, werkt hun noodfonds sneller en efficiënter dan mogelijke hulp vanuit de overheid. “De overheid houdt armoede in stand door bureaucratie. Wij zijn persoonlijker en sneller.”

 

Zo heeft het noodfonds de afgelopen jaren onder meer huisuitzettingen weten te voorkomen, helpt het mensen aan een fiets om daarmee hun mobiliteit te vergroten, betaalt het achterstanden van zorgverzekeringen, en betaalt het de ouderbijdrage voor ouders die dat niet kunnen betalen. En dus ook ‘broodnood’ in geval van de verjaardag van je kind waar je geen geld voor hebt en die je door al je problemen bent vergeten.

Luten, terwijl hij zijn handen boven zijn hoofd heft: “Op een gegeven moment overlappen schulden elkaar zo dat mensen niet meer kunnen bedenken wat ze als eerste moeten doen.”

En dan is er ook nog de Voedselbank, de Kledingbank (zie foto bij bericht), Schuldhulpmaatje, de wens om een folder in pictogrammen te maken zodat laaggeletterden ook weten waar ze hulp kunnen aanvragen, een website Pijl naar beneden die in één keer duidelijk maakt welke hulp je waar kunt vragen enzovoort. Alles om de armoede in deze regio te bestrijden.

Als je voor een dubbeltje geboren bent, word je nooit een kwartje’

Zo’n 22% van de bevolking in deze regio leeft in armoede. Een deel daarvan is zogenaamde generatiearmoede, armoede die van generatie op generatie wordt doorgegeven.

Daar kan ervaringsdeskundige Alex Schepel alles over vertellen. Ook hij geeft een presentatie en doet dit namens de organisatie ‘Sterk uit armoede Pijl naar beneden '. Hij schetst een beeld waaruit blijkt dat armoede niet alleen ontstaat door gebrek aan geld, maar vooral ook door gebrek aan eigenwaarde. 

Alex: “Ik kom uit een arbeidersgezin. We hadden het thuis niet breed. Kleding kreeg je van je broertjes. We woonden met z’n allen in een klein huurhuis. Mijn hele jeugd is mij ingepeperd dat ik een dubbeltje ben en nooit een kwartje zal worden. Wij zijn maar arbeiders. Dit zijn wij. De rest zijn ‘zij’, de mensen met koophuizen, de overheid, de instanties, de mensen met een opleiding. Kortom: iedereen die niet is zoals ‘wij’ moet je wantrouwen, want daar horen wij niet bij. Wij moesten elkaar beschermen tegen de boze buitenwereld.”

En daar zit volgens Alex het grootste probleem. Hij vindt het fantastisch wat de kerken doen, maar geeft aan dat ook de kerk in de ogen van mensen die hulp kunnen gebruiken een deel is van de ‘zij-wereld’. Door ervaringsdeskundigen in te schakelen, is het mogelijk om een brug te slaan tussen die twee werelden. Alex geeft aan dat hij ‘een zesde zintuig’ heeft waardoor hij voelt, ziet, merkt of mensen echt hun hele verhaal vertellen. Vandaar dat het noodfonds wil onderzoeken of er samenwerking met de organisatie ‘Sterk uit armoede’ mogelijk is. 

Alex is hier enthousiast over. “Ik ben uit de gietijzeren kooi van mijn leven gebroken. Dat is geweldig en eng tegelijkertijd. Ik heb namelijk niet geleerd me te handhaven in de wereld. Mijn moeder compenseerde de boosheid van mijn vader met onvoorwaardelijke liefde. Zij heeft mij alles uit handen genomen en niet goed geleerd hoe de wereld werkt. Ik wist niet eens hoe ik een instantie moest bellen. Mijn vader is geen man van woorden. Zijn advies was om ‘erop te slaan’ als iemand je niet aanstond. Mede door hun opvoeding zit het gevoel ‘ik hoor er toch niet bij’ in mijn hele ik. En weet nu dat ze hun best hebben gedaan met de kennis die ze hebben meegenomen uit hun jeugd. Naast mijn opvoeding zijn er in mijn leven nog vele negatieve ervaringen geweest, wat maakt dat ik elke dag nog moeite heb, om mezelf als gelijkwaardig mens te zien.”

Hoe Alex uit die zelfbenoemde ‘gietijzeren kooi’ is gebroken? “Tijdens een talententraining die ik volgde in een periode van werkloosheid zag de trainer iets in mij. Ik werd gezien en wilde me verder ontwikkelen. Dankzij de aanpak van 'Sterk uit armoede' kon ik de opleiding ervaringsdeskundige doen en begon mijn ontwikkeling pas echt. Ik verdien als ervaringsdeskundige net zo veel als in mijn vorige baan, maar ik voel me rijker door het zelfinzicht dat ik nu heb. Dat draag ik vervolgens aan mijn dochter en de rest van mijn omgeving over.” 

De onmisbare rol van kerken bij armoedebestrijding

Jurjen de Groot: “In Oost-Groningen geven kerken op indrukwekkende wijze handen en voeten aan de bijbelse opdracht dat ieder mens telt. En dan te bedenken dat dit slechts één lokaal voorbeeld is van armoedebestrijding door kerken.”

Kerken besteedden vorig jaar 40,7 miljoen euro aan binnenlandse armoedebestrijding. Reken je de omgerekende tijd mee die vrijwilligers vanuit kerken aan dit werk gaven, dan komt er nog eens 40,2 miljoen euro bij. In totaal een bijdrage van 81 miljoen euro.

 »lees verder»

 

Mythe van de zelfredzame burger leidt tot toename van armoede

Armoede is een hardnekkig probleem dat ook in een welvarend land als Nederland moeilijk uit te bannen is. Kerken hebben in 2018 meer aanvragen om hulp ontvangen, blijkt uit het Onderzoek Armoede in Nederland 2018 Pijl naar beneden , uitgevoerd door kerken en diaconale organisaties. Overheidsbureaucratie staat hoog in de lijst van redenen die zorgen voor schulden en armoede. De overheid is niet alleen armoedebestrijder maar ook deels veroorzaker van problemen. Daarom is een cultuuromslag nodig.

Sinds 2011 stijgt het aantal huishoudens met een langdurig laag inkomen. Kerken droegen in 2018 in totaal 88,6 miljoen euro bij aan armoedebestrijding. Diaconale hulp is vooral bestemd voor eerste levensbehoeften. Daarmee dringt zich de vraag op of het zorg- en beschermingsnet van de overheid voldoende functioneert. 

Oorzaken armoede

Naast schuldenproblematiek en langdurig lage inkomens, is bureaucratie van overheidshand een belangrijke oorzaak van armoede. Onmacht plaagt burgers in hun omgang met een overheid die van hen te hoge verwachtingen heeft. De overheid gaat ervan uit dat de burger zelfredzaam is. Maar "burgers zijn niet altijd in staat altijd en overal verstandige keuzes te maken en daarnaar te handelen”, zo schreef het WRR Pijl naar beneden al in 2017. 

Liefst vijf redenen in de top-10 van armoede-oorzaken hebben te maken met overheidsbureaucratie: wachttijden, vastlopen in loketten, buiten regelingen vallen, ingewikkelde formuleren, onbekendheid met regelgeving. De overheid gaat er te gemakkelijk vanuit dat mensen het systeem snappen en ermee uit de voeten kunnen. Overheidscommunicatie is te ingewikkeld en de toenemende digitalisering zorgt voor meer afstand. 

Quick wins

Dat kan beter. Concreet: door meer werk te maken van het minimaliseren van wachttijden bij het toekennen van uitkeringen, betere dienstverlening, gebruik van minder en eenvoudige(re) formulieren, en een ‘één loket beleid’. Ook de ombudsman gaf afgelopen week het advies Pijl naar beneden dat iedere gemeente een hulploket moet krijgen - voor álle vragen die burgers kunnen hebben. Zulke ‘quick wins’ zijn belangrijk om noodhulp te voorkomen. 

De situatie voor mensen in armoede kan ook verbeterd worden door fouten die mensen maken vanwege ingewikkelde regelingen of formulieren niet langer als ’fraude’ te bestempelen. De overheid maakt het soms zo ingewikkeld met haar te communiceren dat ook normaal redzame en goedwillende burgers moedeloos kunnen worden van de wirwar van formulieren waardoor zij het opgeven. 

Cultuuromslag nodig

De bal wordt teveel bij de ‘zelfredzame burger’ zelf gelegd. Terwijl die zelfredzaamheid juist voor mensen aan de onderkant een mythe is. Effectieve hulp vraagt daarom ook om een cultuuromslag. Bureaucratie gaat uit van wantrouwen. Fouten worden bestraft. Terwijl onderzoek heeft aangetoond dat mensen in armoede door stress slechte keuzes maken. En daarmee in een vicieuze cirkel terechtkomen. Zij hebben geen overheid nodig die hen verder naar de bodem zuigt, maar een helpende hand. Ze verdienen niet alleen een goed werkend systeem, maar ook menselijkheid. De vicieuze cirkel wordt niet doorbroken door te straffen, maar door te ontzorgen. 

Recht en barmhartigheid

Kerken en diaconale organisaties willen een partner zijn van de overheid en mensen in armoede. Elk vanuit de eigen rol. Waar een ambtenaar altijd in zijn achterhoofd houdt of er niet teveel wordt weggeven, zal een diaken zich eerder afvragen of er niet te weinig gegeven is.

“Waar een ambtenaar altijd in zijn achterhoofd houdt of er niet teveel wordt weggeven, zal een diaken zich eerder afvragen of er niet te weinig gegeven is.”

Een overheid handelt vanuit het perspectief van recht, terwijl de kerk evenzeer barmhartigheid als motto heeft. Ze vullen elkaar aan en kunnen van elkaar leren.

Overheid én kerk zouden de menswaardigheid van mensen in armoede centraal moeten stellen. Veel mensen kunnen zichzelf redden. Maar niet iedereen. De bal bij deze mensen zelf neerleggen, en geen helpende maar een straffende hand uitsteken, leidt tot toename van armoede. 

Dit opiniestuk verscheen op zaterdag 7 november in dagblad Trouw. Ds. René de Reuver heeft dit samen met mgr. Gerard de Korte (bisschop 's-Hertogenbosch) geschreven.

 »lees verder»

 

Armoede: kerken krijgen meer aanvragen en geven meer hulp

Meer mensen deden een verzoek om hulp. In de top 10 van meest genoemde groepen die door kerken geholpen worden, vond sinds 2012 een verschuiving plaats. Stonden eerst ‘mensen zonder betaald werk’ bovenaan, nu zijn dat asielzoekers en vluchtelingen. ‘Mensen met een chronische ziekte’ en ‘gezinnen waarin één persoon betaald werkt’ worden veel vaker genoemd dan zeven jaar geleden. 

Redenen voor hulpvraag

Schulden en een langdurig laag inkomen zijn de meest voorkomende redenen waarvoor mensen bij een kerk aankloppen. Andere redenen die kerken en diaconale organisaties noemen: vastlopen in loketten van instanties, last van ingewikkelde formulieren en terugvordering van teveel betaalde toeslagen. 

Bureaucratie als veroorzaker van de problematiek van armoede en schulden staat dus hoog in de ranglijst van genoemde problemen. De overheid is daarmee niet alleen armoedebestrijder maar ook veroorzaker van problemen. 

Overheid kan meer doen

Richting de overheid adviseren de kerken om fouten die mensen maken vanwege ingewikkelde regelingen of formulieren niet langer als ’fraude’ te bestempelen. Gelet op de specifieke problemen onder jongeren pleiten de onderzoekers voor het omhoog brengen van de jeugdregelingen van 18 naar 21 jaar. Ook pleiten zij ervoor dat de overheid meer aansluiting zoekt bij hulpinitiatieven vanuit de kerken. 

Het Onderzoek Armoede in Nederland is alweer de achtste editie van het driejaarlijkse onderzoek van kerken rondom armoedebestrijding. Aan het onderzoek, georganiseerd door het Knooppunt Kerken en Armoede, nemen de meeste Nederlandse kerkgenootschappen deel. 

Het complete onderzoek is te vinden op knooppuntkerkenenarmoede.nl.

De bundel met voornaamste resultaten, verhalen en achtergrondartikelen is voor 5 euro te bestellen bij de Protestantse Kerk in Nederland, of via Knooppunt Kerken en Armoede.

knooppuntkerkenenarmoede.nl/publieksbrochure

 »lees verder»

 

“Gemeente kan verdriet een eindje meedragen”

“Ik steek deze kaars aan voor mijn vrouw.” Haar naam klinkt. Eén voor één steken de leden van de gespreksgroep een kaars aan in de stiltehoek van De Ontmoeting, wijkgemeente van de Protestantse Gemeente Emmeloord. “Wij weten dat onze geliefden bij ons zijn in het Licht van Christus”, zegt Janny Bunschoten. Er is ook een liturgische schikking: “Geliefden die wij verloren hebben, worden gesymboliseerd door deze witte rozen. Tussen de bloemen zit klimop dat naar beneden gaat en dan weer omhoog. Onze geliefden hebben ook vruchten gedragen; de bessen in het bloemstuk.”

“Wat ik je vraag, is dit”, haalt Ella Oost een gedicht van Marinus van den Berg aan. “Wil je nóg eens, en nóg eens luisteren naar mijn verhaal – naar wat ik voel en denk. Je hoeft alleen maar stil te zijn. Je luisterend aanwezig zijn zal mijn dag anders maken.”

Al meer dan tien jaar organiseren Janny Bunschoten en Ella Oost jaarlijks een gespreksgroep voor mensen in de Noordoostpolder die rouwen om een geliefde. De bijeenkomsten, tien in de periode van november tot Pasen, beginnen met een liturgisch moment. Aan de hand van verschillende onderwerpen delen de deelnemers vervolgens hun ervaringen. Het gaat over afscheid nemen, over de heel verschillende gevoelens die horen bij rouw, over reacties van anderen en over het beleven van bijzondere dagen als Kerst, Pasen en verjaardagen.

Ella Oost nam in het verleden zelf deel aan een rouwgroep en ontdekte hoe heilzaam dat was. Toen de gemeente een nieuwe predikant kreeg, raadde ze die aan door te gaan met een dergelijk aanbod. “Kun jij dat niet doen?” had de predikant gevraagd. Ze volgde de cursus begeleiding van rouwgroepen die de Protestantse Kerk aanbiedt. Daar ontmoette ze Janny Bunschoten. Samen besloten ze een rouwgroep op te zetten. De vrouwen zijn allebei ‘ervaringsdeskundig’.

Doorléven om te kunnen dóórleven

De aanwezigen hebben allemaal het overlijden van een partner te betreuren. Maar ook mensen met het verlies van een andere naaste kunnen deelnemen. Met elkaar spreken over je verdriet geeft troost. Ondanks soms enorme verschillen vind je elkaar en kom je verder in je rouw. Mede door de professionele begeleiding leer je erover communiceren en leer je het een plek te geven, vindt Piet Soepboer. “Kunnen uitspreken wat er in je omgaat is al een hele overwinning”, vult Karel van der Sijde aan.

“Rouw is een weg van vallen en opstaan”, zegt Marijke van der Werff. “Een weg die lang kan zijn en die je uiteindelijk alleen moet afleggen.” Zo heeft ze het zelf ook ervaren. “In een groep als deze maak je een begin, daarna kun je zelf verder.”

Informatie over de groep wordt aan het begin van het seizoen in alle kerkbladen in de Noordoostpolder gezet. Mond-tot-mondreclame is minstens zo belangrijk. En het advies van predikanten en pastoraal werkers: is dat niet iets voor jou? Zo ging het bij Van der Werff. “Het voelde snel vertrouwd.

“Je leert van elkaar hoe je met je verdriet kunt omgaan”

Je leert dat je niet de enige bent en dat je allemaal verder moet. Anders was ik misschien in m’n zielig-zijn blijven hangen.” “Je leert van elkaar hoe je met je verdriet kunt omgaan”, vult Soepboer aan.

Elk jaar start een nieuwe groep, mensen kunnen niet halverwege instappen. Het groepsproces is belangrijk. Makkelijk is het nooit. “Rouwen is werken, is opstaan, zeggen wij altijd”, aldus Oost. “In navolging van Marinus van den Berg doen we niet aan ‘rouwverwerking’ – we zijn geen afvalbedrijf. We doorléven onze rouw om te kunnen dóórleven.”

Meedragen als engelen

Het geloof speelt nadrukkelijk een rol. Door te praten over stellingen bijvoorbeeld. ‘God beslist en doet wat goed is voor mij’, ‘God heeft niets met de dood te maken, maar is vooral trooster’ en ‘Als God almachtig is, waarom heeft Hij dan … Ik wil niets meer van hem weten’. Dat roept veel op. Ook heel gewone dingen komen aan de orde. Wat doe je met de spullen van een overledene? Waar haal je de kracht vandaan om verder te gaan? “Sommigen noemen de kleinkinderen, voor anderen is het een psalm of een lied.”

De bijeenkomsten worden afgesloten met een korte liturgie in de kerk. “Het is dan net Pasen geweest en de kleur is van paars naar wit veranderd”, vertelt Bunschoten. “Er zijn foto’s van degenen om wie gerouwd wordt en iedereen krijgt een kaars die aangestoken is aan de nieuwe paaskaars. Met de brandende kaars - het licht van Pasen - trekt iedereen de kerk uit, de wereld in.” 

“Mensen moeten ervaren dat ze deel uitmaken van een gemeenschap”

Ze vindt het vanzelfsprekend dat je zorgdraagt voor de rouwenden en dat je ook de spanningen die rouw en geloof met zich mee kan brengen bespreekbaar maakt. “Als gemeente moet je steun bieden. We moeten zijn als engelen die het verdriet een eindje meedragen. Mensen moeten ervaren dat ze deel uitmaken van een gemeenschap. Een plek waar je ook mag huilen of boos zijn op God - zoals we ook in de psalmen lezen.” Oog hebben voor de ander, het raakt aan het bijbelse liefdegebod.

“Er zijn heeft ook te maken met de Godsnaam”, vult Oost aan. “Ik zal er zijn – daaraan mogen we elkaar herinneren als mensen die leven uit de bron van de bijbelse verhalen. Ook in verdrietige omstandigheden.” Het verhaal van Jezus lopend over het water mag als voorbeeld gelden. “Dat Jezus de oervloed bedwingt, het grote kwaad, betekent dat Hij er voor je is. Om je daaruit weg te leiden en je te beschermen.”

Rituelen en symbolen zijn belangrijk in het geheel. “Die komen op een heel eigen wijze binnen”, legt Bunschoten uit. “Muziek, een gedicht, het betekenisvolle bloemstuk, de kaarsen die we aansteken, de namen die we noemen … Gevoel, verstand, alle zintuigen moeten aan bod komen – dat geeft diepte.” 

 »lees verder»

 

Gebed voor Dankdag voor Gewas en Arbeid

Heer onze God, 

wij komen tot U,
met de bede: leer ons bidden en danken.
Leg ons de juist woorden in de mond en in het hart. 

 We zijn dankbaar. 
Ook dit seizoen zijn we niets tekort gekomen. 
Het land heeft zijn opbrengst gegeven. 
Ook al kunnen wij geen wasdom geven, 
we hebben behoorlijk onze hand gehad in de opbrengst van het land.
We hebben er goed van gegeten.

Wij danken U voor al wat groeide en bloeide, 
voor eten en drinken in overvloed. 

Wij danken u voor de toewijding en liefde van boeren en tuinders.
Met liefde voor mens, dier en milieu hebben zij hun werk verricht. 

Tegelijk zien we steeds scherper 
dat uw schepping een hoge prijs betaalt voor onze consumptie,
dat het zo niet verder kan.  

En we beseffen steeds meer 
dat onze dank tegen ons is. 
Daarom bidden wij: 
‘spreek zelf in ons het rechte woord’ (naar lied 944). 
Geef ons wijsheid om uw schepping, 
naar uw gebod, te bewerken en te bewaren (Gen. 2:15), 
zodat er voor ons en onze kinderen genoeg zal zijn,
tot lofprijzing van uw naam. 

Hoor onze dank en ons gebed,
in Christus’ naam. 

Amen. 

 »lees verder»

 

Gedeelde roeping - De gemeente en de predikant in het beroepingswerk

In het voorjaar verscheen in deze reeks een artikel overDe classis en het beroepen van een predikant Pijl naar beneden .’ Daarin werd een nieuwe taak belicht van het breed moderamen van de classicale vergadering: het vooraf toestemming verlenen aan een gemeente om met het beroepingswerk te mogen beginnen. In dit artikel leest u het beloofde vervolg daarop, nu vanuit het perspectief van de gemeente, de kerkenraad en de predikant.

Roeping van Christuswege

We vallen met de deur in huis, met het (Romeinse) artikel V-4: ‘De roeping tot het ambt geschiedt van Christuswege, plaatselijk door de gemeente en overigens bij monde van de daartoe bevoegde vergaderingen’. 

Deze regel geldt voor alle drie ambten in onze kerk, ouderling (-kerkrentmeester), diaken en predikant. Hiermee zet de kerkorde bij het ambt hoog in. Het ambt is aan de kerk gegeven door Christus als Hoofd van zijn levend lichaam op aarde. Het is een gave van zijn Geest met als doel ‘de gemeente te bepalen bij het heil en bij haar roeping in de wereld’ (art. V-1). Het is niet in de eerste plaats een slimme uitvinding van mensen en of een beproefd organisatieprincipe. Dat is het misschien ook, maar met de ‘ogen van het hart’  gezien is het voor alles: geschenk uit de hemel, genadegave, ‘charisma’

Volgens datzelfde lid 1 is het ‘openbare ambt van Woord en Sacrament’ aan de gemeente gegeven. De kerntaak van het ambt is om in het openbaar, - midden in het leven van mensen, hier en nu, - de gemeente samen te brengen rond Woord en Sacrament. Hierin klopt het hart van de gemeente: dat mensen het Woord van God horen en bewaren in hun hart en leven. Dat zij aan den lijve ervaren dat God hen liefheeft als zijn kinderen en hen nodigt tot de tafelgemeenschap die Jezus Christus met zijn leven van liefde en dienst in deze wereld heeft gesticht. 

We herkennen hierin gemakkelijk de predikant die voorgaat in de bediening van het Woord en de sacramenten. Daarin wordt de gemeente bij uitstek bepaald bij het heil in Jezus Christus en haar roeping om de weg te gaan van de Liefde. Maar dat ook ouderlingen en diakenen daartoe geroepen zijn, gaat dat niet wat ver? Wordt hiermee niet de beruchte hoge drempel opgeworpen die ons doet aarzelen om ja te zeggen tegen het ambt?

Opengaan voor de Geest

Hoe dit laatste ook zij, vanuit dit uitgangspunt vergt het beroepen van een predikant allereerst een opengaan voor de Geest van Christus. Wat vraagt de Heer van ons als zijn gemeente in onze concrete gemeenschap van mensen die zoeken naar zin en samenhang in hun leven. Wat is als gemeente onze roeping in de komende jaren? Met dit gebed tot de Geest, begint in de gemeente het beroepingswerk. En van de kerkenraad wordt verwacht ‘om met het oog op de verkiezing de gemeente te herinneren aan de plaats en het werk van het ambt in de gemeente van de Heer’ (Ord. 3-1-3).

Strategische keuze

De predikant is het gezicht van de gemeente. Hij of zij gaat ons voor in het belichamen van de roeping van de gemeente. Dat doet de predikant als voorganger, samen met de andere ambten en diensten, de kerkenraad en de kerkelijk werkers. De keuze van een predikant is dus ook van strategisch belang voor de gemeente. De roepingen van gemeente en predikant moeten bij elkaar passen. Zij moeten elkaar kunnen herkennen en aanspreken op de gemeenschappelijke uitdaging die voor hen ligt. Ook de predikant moet zich van Christuswege geroepen weten om daaraan gedurende vier jaar of langer bij te dragen en leiding te geven. Er moet een match zijn tussen gemeente en predikant. Een zorgvuldig opgestelde profielschets van de gemeente en de te beroepen predikant is hiervoor het geëigende instrument.

De voorbereiding van de verkiezing (Ord. 3-3)

De kerkorde besteedt daarom veel aandacht aan de voorbereiding van het beroepingswerk (Ord. 3-3). De kerkenraad neemt daarin het voortouw. 

Allereerst verzekert de kerkenraad zich van de medewerking van de kerk in haar geheel. Een predikant wordt niet alleen aan de plaatselijke gemeente verbonden, maar is ook predikant van de kerk (in haar geheel). Zo is er toestemming nodig van het breed moderamen van de classicale vergadering voor het mogen beginnen met het beroepingswerk (zie ons eerdere artikel), een verklaring van het classicale college voor de behandeling van beheerszaken dat de gemeente de predikant een aantal jaren kan betalen, en een advies van het mobiliteitsbureau van de landelijke kerk Pijl naar beneden met het oog op mogelijke kandidaten. In gemeenten met wijkgemeenten heeft een wijkkerkenraad ook de instemming nodig van de algemene kerkenraad. Ter begeleiding van het beroepingswerk wordt een predikant uit een andere (wijk)gemeente aangesteld als consulent. In evangelisch-lutherse gemeenten kan ook de president van de evangelisch-lutherse synode hiertoe worden geroepen. 

Nu begint het proces in de gemeente zelf met de vorming van een beroepingscommissie Pijl naar beneden uit leden van de kerkenraad en in de regel ook  een aantal gemeenteleden. Van deze regel kan slechts om gemotiveerde redenen worden afgeweken. Maar in alle gevallen worden de gemeenteleden betrokken bij de voorbereiding van het beroepingswerk. De verkiezing van een predikant geschiedt immers door de gemeente. Daarom worden de gemeenteleden door de kerkenraad uitgenodigd om schriftelijk en ondertekend aanbevelingen in te dienen van personen die naar hun mening voor verkiezing in aanmerking komen. Vaak worden ook de profielschetsen van gemeente en predikant door de kerkenraad met de gemeente gedeeld en besproken. 

De verkiezing (ord. 3-4)

Dan kan de beroepingscommissie aan het werk met haar zoektocht naar een geschikte en beroepbare kandidaat. In principe zijn alle predikanten voor gewone werkzaamheden beroepbaar die langer dan vier jaar achtereen een gemeente hebben gediend. Ook proponenten (die de opleiding tot predikant hebben voltooid en zijn toegelaten tot de ambtsbediening) die beroepbaar zijn gesteld, kunnen worden beroepen. Daarnaast kunnen dienstdoende predikanten met een bijzondere opdracht of in algemene dienst dan wel ontheven predikanten die beroepbaar zijn gebleven, voor een beroep in aanmerking komen.

De werkwijze van een beroepingscommissie is niet in de kerkorde geregeld. De kerkenraad kan hiervoor zelf aanwijzingen geven. In de landelijke Gids voor het beroepingswerk die op de website te vinden is, worden beproefde richtlijnen daarvoor gegeven. Meestal wordt er gewerkt met een - al of niet door de kerkenraad vastgestelde - groslijst met namen van mogelijk geschikte kandidaten die vanuit de gemeente en door het mobiliteitsbureau zijn aangedragen of die de commissie zelf heeft verzameld, eventueel via een sollicitatieprocedure. Daaruit wordt een aantal personen geselecteerd met wie gesprekken worden gevoerd en van wie een kerkdienst door de commissie wordt bezocht.                              

Uiteindelijk maakt de commissie een keuze en stelt een voordracht vast bestaande uit één of meer kandida(a)t(en). Soms is over dat aantal vooraf een afspraak met de kerkenraad gemaakt. Soms is het afweging van de commissie zelf. De commissie levert haar voordracht in bij de kerkenraad, die vervolgens beslist of de voordracht al of niet wordt overgenomen. Een wijkkerkenraad beslist over deze kandidaatstelling in overleg met de algemene kerkenraad.

Een gulden regel hierbij is dat het werk van de beroepingscommissie vertrouwelijk van aard is en ook blijft. De kerkenraad als opdrachtgever van de commissie wordt tijdens het selectieproces door de commissie marginaal op de hoogte gehouden. 

Na de kandidaatstelling wordt een vergadering van stemgerechtigde leden van de (wijk)gemeente belegd, waarin de voordracht wordt gepresenteerd en de verkiezing plaatsvindt. De kandidaat die de meeste en de volstrekte meerderheid van de stemmen krijgt, is verkozen (ord. 4-5). Bij een enkelvoudige voordracht is een meerderheid van tweederde vereist (ord. 3-4-7). Soms kan er in een (wijk)gemeente met meer dan 200 stemgerechtigden reden zijn om in de verkiezingsregeling vast te leggen dat een predikant door de (wijk)kerkenraad wordt verkozen. Hiervoor moet vooraf toestemming worden verleend door het breed moderamen van de classicale vergadering.

Vervolgens maakt de kerkenraad de naam van de verkozene bekend aan de gemeente teneinde haar goedkeuring te ontvangen om deze te mogen beroepen. Bezwaren tegen de gevolgde procedure kunnen binnen vijf dagen na de bekendmaking door de stemgerechtigde leden schriftelijk en ondertekend worden ingebracht bij de kerkenraad. De kerkenraad zendt dit bezwaarschrift binnen veertien dagen door aan het classicale college voor de behandeling van bezwaren en geschillen. Dat laat onverlet dat de kerkenraad de verantwoordelijkheid heeft om zelf het bezwaar uit de wereld te helpen. Het college oordeelt over het ingediende bezwaar. Hiertegen kan geen beroep kan worden aangetekend. Het is een eindbeslissing. De rechtmatigheid van de verkiezing tot het ambt mag niet te lang boven de markt zweven.

Beroeping, approbatie en bevestiging of verbintenis (ord. 3-5)

Hierna brengt de (wijk)kerkenraad het beroep uit aan de verkozen kandidaat. Dit gebeurt met een beroepsbrief en bijbehorend aanhangsel waarin de taakafspraken en (financiële) verplichtingen tussen predikant en gemeente over en weer worden beschreven. 

De beroepene deelt binnen drie weken na overhandiging van de beroepsbrief schriftelijk aan de kerkenraad mee of hij of zij het beroep aanvaardt.  Daarna wordt in overleg een datum bepaald voor de bevestiging (bij proponenten) of verbintenis en intrede van de predikant. Vanaf die datum is de predikant formeel verbonden aan de gemeente.

De bevestiging of verbintenis vindt plaats nadat het breed moderamen van de classicale vergadering ‘approbatie’ heeft verleend, ofwel:  getoetst heeft of aan alle kerkordelijke voorwaarden is voldaan.

Gedeelde roeping

Binnen deze kaders moet het volgens de kerkorde mogelijk zijn dat een gemeente een predikant vindt die de roeping van de gemeente herkent als zijn of haar roeping en daaraan van harte gehoor wil en kan geven. Dan kunnen beide partijen tijdens de dienst van bevestiging of verbintenis van harte belijden en vieren dat in de verkiezing van deze predikant door deze gemeente ook de roepstem van de Geest hoorbaar is. 

Perspectief

Afgezien van de toestemming voor de start van het beroepingswerk van het breed moderamen, heeft Kerk 2025 niet geleid tot wijziging van deze kerkordelijke kaders.

Wel heeft Kerk 2025 in het kader van de mobiliteit aandacht gegeven aan situaties waarbij gemeente en predikant in de loop van de tijd ontdekken dat zij niet (meer) bij elkaar passen en elkaars roeping niet meer herkennen. De synode heeft nagedacht over een manier waarop gemeente en predikant dan in vrede (met wederzijds goedvinden) uit elkaar kunnen gaan en over de voorwaarden die daarbij assen. In principe heeft de synode in ord. 3-16-5 een kerkordelijke regeling aanvaard waarbij een predikant en een gemeente, die na 12 jaar verbintenis op elkaar zijn uitgekeken, in vrede uit elkaar kunnen gaan. Deze zogenaamde 12-jaarsregeling is echter nog niet in werking getreden. De synode beslist hierover nader in april 2020 op basis van een onderzoek door de classispredikanten.

 »lees verder»

 

Vraag het de ouders

Wilt u sterk jeugdwerk in uw gemeente, dan moet je investeren in gezinnen, daar was jeugdwerker Esther van Maanen van overtuigd. Inmiddels alweer een aantal jaar geleden bezocht zij samen met een aantal vrijwilligers alle gezinnen in de Protestantse Gemeente De Brug, in het kader van het bezoekproject ‘Gezinnen, kerk en geloof’. 

De vrijwilligers kregen eerst een training. Voor de bezoeken lag er een vragenlijst Pijl naar beneden klaar. Aan de hand daarvan konden ouders vertellen waar zij tegenaan liepen in de geloofsopvoeding, wat de behoeften zijn van hun kinderen en hoe de kerk ouders en kinderen hierbij zou kunnen helpen. Een paar uitkomsten van het onderzoek: organiseer cursussen voor ouders en stel een speciale ouderling voor gezinnen aan. 

Verschil

De huidige ouderling gezinnen, Els Zijlstra, is moeder van twee dochters van 16 en 19 jaar. Ook bij haar thuis kwam destijds iemand langs met een vragenlijst. “Alle gezinnen in de kerk zijn bezocht en geïnterviewd.” Toen de kerkenraad aan de slag ging met het beleid voor de gemeente, heeft ze rekening gehouden met de resultaten van het bezoekproject. “Het onderzoek heeft destijds echt verschil gemaakt.” 

Els noemt als voorbeeld de cursussen: “Niet elke ouder zit te wachten op een cursus, maar voor een aantal ouders gaven deze avonden antwoord op vragen waar ze mee rondliepen. Ook kregen ze zo de gelegenheid om andere ouders te leren kennen.” Zo waren er avonden voor ouders die zonder partner de geloofsopvoeding vormgeven, en een avond over het creatief inzetten van bijbel en gebed in het gezin. 

“Het is belangrijk om als gemeente opvoedondersteuning aan te bieden”, stelt ze. “Onze cursus duurde maar vijf avonden, maar het hoeft ook niet groots. Het is belangrijk dat de mogelijkheid er is en dat ouders hiervan op de hoogte zijn. Op die manier is er in ieder geval een plek waar ouders elkaar kunnen ontmoeten en waar ze terecht kunnen met vragen over opvoeding en geloven.”

Taak in de kerk

Zelf heeft ze ervaren dat de kerk van belang is geweest voor haar gezin. “Onze jongste mopperde een tijdlang als we naar de kerk gingen. Ik heb toen gestimuleerd dat mijn kinderen betrokken zouden worden bij de oppas.” Dat had effect: “Zodra mijn jongste dochter stond ingeroosterd, ging ze uit zichzelf mee naar de kerk. Ik merkte toen hoe belangrijk het is dat mijn kind een taak had in de kerk.” Wanneer kinderen en jongeren actief worden ingeschakeld, voelen ze zich eerder volwaardig onderdeel van de gemeente. Bovendien stimuleert dit ook de aanwezigheid van gezinnen in de kerkdienst.

Ook het hebben van vrienden in de kerk, is cruciaal voor kinderen en jongeren, heeft Els gemerkt. “Als je kinderen in de kerk een band opbouwen met anderen, maakt dat de geloofsopvoeding voor mijn gevoel makkelijker. Wil je als gemeente zorgen dat gezinnen betrokken blijven, dan zijn goed jeugdbeleid en een jeugdwerker heel zinvol. Een jeugdwerker kan een aanspreekpunt zijn voor jongeren en groepsvorming stimuleren.”

Druk, druk, druk

Juist doordat ze als moeder had gemerkt hoeveel impact het heeft als de kerk aandacht heeft voor gezinnen, was ze meteen enthousiast toen ze werd gevraagd om ouderling gezinnen te worden. “Die taak is wel lastiger dan ik dacht”, geeft ze toe. “Veel gezinnen zijn druk, druk, druk. En in al die drukte krijgt de kerk niet altijd de prioriteit, merk ik. Stuurde ik bijvoorbeeld een mailtje naar alle gezinnen om een afspraak te maken, dan lukte dat niet.” 

Ze moest haar eigen weg vinden, want “er zijn niet heel veel ouderlingen met een speciale opdracht voor gezinnen”, weet ze. Ze legt nu meteen al contact zodra er een kind is geboren. “Als de doopkaart gebracht moet worden bij het gezin, maak ik een afspraak. Dat is een mooie manier, want zo kan ik kennismaken met het jonge gezin én hoor ik wat er leeft onder gezinnen.” 

Ze loopt er regelmatig tegenaan dat openheid lastig is. “Soms wéét je dat er iets speelt in een gezin, maar merk je dat ouders het gesprek liever mijden. Juist als het gaat om geloofsopvoeding is openheid naar elkaar belangrijk.” Zelf merkte ze hoe belangrijk openheid is toen ze vorig jaar een cursus voor ouders van tieners organiseerde. “Tijdens de cursus trokken we vijf avonden met elkaar op. De openheid die dan ontstaat, is fijn voor ouders.” 

Zelfs als het lijkt alsof er weinig behoefte is aan betrokkenheid van de kerk, dan is het tóch belangrijk dat de kerk zich hiervoor inzet, benadrukt ze. “Ouders weten dan in elk geval waar ze terecht kunnen.”

Els: “We blijven als gemeente inzetten op geloofsopvoeding en de gezinnen. Het is mooi om te merken dat ook in de kerkenraad het belang hiervan wordt ingezien. Het aantal ambtsdragers in de gemeente is een tijdje geleden verminderd om efficiënter te zijn, maar daarbij is duidelijk gekozen om de ouderling voor gezinnen wel te behouden. Wij als gemeente ervaren namelijk dat de gemeente sterker is als gezinnen en geloofsopvoeding de aandacht krijgen die nodig is.”

Bent u net als Els Zijlstra uit Amersfoort benieuwd waar ouders in uw gemeente behoefte aan hebben als het gaat over geloofsopvoeding? Tegen welke vragen ze aanlopen? En waar de kerk een rol kan spelen? Kijk dan of u ook aan de slag kunt met een bezoekproject voor gezinnen. JOP, Jong Protestant biedt een training aan om zo'n project op te zetten.

Of kom op 20 november naar Amersfoort of op 27 november naar Sint-Michielsgestel voor een ontbijtsessie en ga over deze vragen in gesprek.

 »lees verder»

 

Eeuwigheidszondag in Zoetermeer: buiten herdenken voor iedereen

“Het idee om een bijeenkomst te organiseren ontstond na de ramp met MH17. Dick Sonneveld Pijl naar beneden en ik zagen wat een grote opgezette bijeenkomst waarin herdacht kan worden doet met mensen. In Zoetermeer ervoeren we al langer dat verschillende mensen een gelegenheid zochten om, buiten de kerken om, te herdenken. Dat zijn mensen die niet meer in de kerk komen of er nooit naartoe gingen. We zijn op zoek gegaan naar een moment rond 2 november, rond Allerzielen, om rond die datum in een algemene bijeenkomst stil te staan bij hen die er niet meer zijn.”

Bewust in de buitenlucht

“We kozen bewust voor een gelegenheid buiten, niet in een gebouw, niet in een kerk. Het werd een bijeenkomst rondom de Watertoren. Symbolisch, water is levensnoodzakelijk en van geboorte tot dood speelt water een rol. Elk jaar is er een thema. Dit jaar is dat ‘Over the Rainbow’, vorig jaar was het ‘Gedragen door de Wind’ en het jaar daarvoor ‘Stairway to Heaven’. Kunstenares Ellen Vermeulen ontwerpt elk jaar iets aan de hand van het thema. Dit jaar is dat een regenboog, een schikking met lappen in de kleuren van de regenboog. Mensen kunnen daar bloemen insteken en kaarsjes aansteken. Vorig jaar ontwierp zij een banier. Mensen schreven toen de namen van hen die zij missen op een strook en dat werd aan de banier gehangen. Het resultaat was een groot wapperend geheel.”

Geen kerkelijke bijeenkomst

“Het is een bijeenkomst die een uur duurt. Er wordt gezongen, er is een  koor en twee solisten. Naast zang is er een welkom, wordt er een gedicht voorgelezen en is er een geleide meditatie, waarin we het woord God bewust niet gebruiken. Het gaat om het stil staan bij dierbaren. Het is geen kerkelijke bijeenkomst en we willen mensen niet afschrikken. We schuwen de naam van God niet, we doen er niet spastisch over. In de liederen die we zingen gaan we de naam van God niet uit de weg.”

Oplezen van de namen 

“Onderdeel van de meditatie is een ritueel waarin de namen van overledenen hardop uitgesproken worden, in series van tien met momenten van rust ertussen. Deze namen worden voorafgaand aan de bijeenkomst doorgegeven. Jaarlijks worden rond de 100 namen genoemd, voorgelezen door een man en een vrouw die beiden pastoraal actief zijn. De namen worden genoemd in series van 10 met een korte pauze ertussen. Na het samenzijn is er nazorg in een nabijgelegen kerk.”

Doel van de bijeenkomst

“Vorig jaar waren er rond de 150 mensen. Het doel van deze samenkomst is om contact te krijgen. Om er te zijn voor een ander. Aanwezigen zijn dankbaar, emotioneel. Ze zeggen dat ze blij zijn met het moment, dat ze hun verdriet kunnen delen. Ze krijgen de mogelijkheid om deel te nemen aan de cursus ‘Omgaan met verlies’. Er zijn mensen die dan afhaken, maar er zijn ook mensen die zo vaker naar onze pioniersplek komen. Dat zijn mensen die ooit het contact met de kerk kwijtraakten, mensen die nooit de steun hebben ervaren die het geloof je kan bieden. En mensen die nooit iets met de kerk en het geloof te maken hebben gehad.”

Voorbereiding: vergunning!

“In totaal zijn er zo’n 50 mensen betrokken bij de organisatie van de jaarlijkse herdenkingsbijeenkomst. De voorbereiding start met het aanvragen van een vergunning. In december heb ik de bijeenkomst aangemeld en in juli heb ik de aanvraag ingediend. Drie weken geleden kregen we de vergunning.”

Kostenplaatje en PR

“We werken samen met uitvaartondernemingen die al het drukwerk (posters, flyer en boekje waar orde van dienst instaat voor viering op zondag) kosteloos verzorgen. Dat doen zij zonder eisen van publiciteit, ze vragen geen reclame. Dat past, want het samenzijn is zo neutraal mogelijk. Wat PR betreft, we hebben goede ingangen bij de streekbladen. We versturen een persbericht, zoeken contact met de regionale omroep. We flyeren in de buurt, hangen posters bij gemeentelijke instellingen. En andere wijkkerken melden het. Het is geaccepteerd dat wij dit jaarlijks organiseren.”

Je moet lef hebben!

“Je moet lef hebben om het op een grote algemene manier op te zetten. Wat volgt zijn kansen voor gemeenten en kerken om in gesprek te komen met mensen die te maken hebben met verlies.”

Meer over eeuwigheidszondag
Bekijk de themapagina voor voorbeelden van uitnodigingsbrieven, tips voor het schrijven van een persbericht, ideeën om laagdrempelige ontmoetingen rondom troost en rouw te organiseren etc.

 »lees verder»

 

Leef toe naar Kerst, feest van licht. Vraag onze adventskalender gratis aan! 

De adventskalender daagt u uit hoopvol toe te leven naar Kerst. ´Geef licht´ is de rode draad door alle dagen van de kalender. Voor iedere dag is er een vraag om over na te denken of juist een oproep om zelf aan de slag te gaan, afgewisseld met een recept, gedicht, lied, overdenking of quote. Neem alvast een kijkje in het inkijkexemplaar.

U kunt een gratis exemplaar van de adventskalender 2019 aanvragen  via protestantsekerk.nl/adventskalender

De kalender bestellen voor uw gemeente
Misschien wilt u als kerk uw gemeenteleden verrassen met een kalender. Vanaf twee en meer exemplaren kost de kalender 1 euro per stuk en is deze te bestellen via de webwinkel van de Protestantse Kerk.

Vraag de kalender gratis aan

 »lees verder»